Noedelzin

Welkom is een deurmatje dat ‘hallo’ probeert te zeggen.
Achter Welkom is er een deur die deze nacht open- en toeging en ergens daartussen glipten Toon en Rani naar binnen. Toon woont hier. Rani zou er blijven slapen en wanneer ze weer wakker werd, was Toon al uit bed. De zon scheen.
‘Blij dat u even langskomt’, riep hij haar nog na vanop het terras, terwijl zij haar vrije, verticale val richting gelijkvloers voltooide. Gevloerd. Deelwoorden.
‘Wie is het?’ vroeg Rani, vanuit het bed dat nog warm was.
‘De bovenbuurvrouw die even langskwam, schat’, zei hij en  nipte eens van zijn sjudoransj – Toon was Nederlander. ‘Tijd om door te gaan.’
Zijn moeder was jarig.

‘Blij dat u even langskomt,’ zeg ik automatisch van achter de balie bij het horen van de deur en daarbij horende gerinkel. De man aan de deur kijkt me aan alsof ik net zijn moeder heb beledigd – en dat met een heel vies woord zoals ‘auteur’, ‘kunstenaar’ of ‘fluitsapreservoir’.
‘Ik… ik zoek een geschenk voor mijn moeder.’
‘Een mooi gebaar, meneer. En fijn dat u mijn winkel daarvoor kiest. Neus gerust even rond. Ik ben zo bij u.’
‘Ja, ‘k zie het: de nieuwe lichting?’
‘Jup, net binnen. Maar mocht u ze kruisen in het grasduinen, geen nood. Jonge goden bijten niet… (hard).’
Tel de duinen met groene scheuten langs de zee en maak er een werkwoord van. Iets infinitiefs, want dialoog is vluchtig.

‘Jonge goden?’
‘Waar?’
‘Nee, ik herhaal het maar.’
‘Ah, oké. ’k dacht even dat u mijn e-book had gezien. ’Het las te snel en vloog uit de e-reader recht de winkel in.’
‘Kan ik het hier vinden in de winkel?’
‘Jazeker, als u weet waar te surfen en waar niet, want riffen zijn gevaarlijk om op te vallen – dat ontsteekt. Weet je, ik spreek niet graag achter boekenruggen, maar deze denkt dat hij een broodje is. Nu ja, hoopt dat het dat wordt. Een zoet.’
‘Een zoet broodje?’
‘Ja, die gaan zo over de toonbank bij de bakker. Ik heb het gisteren nog gezien.’
‘Daar, bij die bakker?’
‘Ja, hier recht tegenover. Zijn rozijnenkoeken en glaçeekes zijn goed, dat geef ik toe, maar de rest is maar zo-zo.’