Niet alleen Dickens had Great Expectations als schrijver. Mettertijd bracht het hem zelfs een aardige duit in het zakje, en zakje werd al gauw een aardige beurs met veel volk. Ik haalde ter plaatse nog snel 40 euro af aan de Fintro-automaat en deed nog een stressplaske ter waarde van 50 eurocent. De resterende 39.5 euro werd wat ongemakkelijk platgedrukt bij het plaatsnemen voor mijn eerste signeersessie. De behulpzame mensen van de stand gaven me een watertje, en ze hadden Bic-balpennen op reserve. Het was er druk. Naast me zaten een thrillerauteur en wat dichter een dichter – zij kenden de routine al, het bal(pen)spel. “’t Is een en al visibiliteit hier,” zei de ene, “en als je hier één boek signeert mag je al enorm tevreden zijn.” Wel, ik mag tevreden zijn. Als bezoeker en schrijver. Ik was nog nooit eerder op de Boekenbeurs geweest. Het was een vuurdoop, en de warmte heeft me deugd gedaan.

Ik koos voor twee signeersessies op twee dagen waarop het werkvolk (en ik) thuis zouden zijn. Dat leek me de beste keuze. Jammer genoeg bleek later uit het programma dat niet alle schrijvers die ik wou ontmoeten signeerden op die specifieke dagen, dus het werden er drie in totaal. Op de derde zondag rustte ik, het was Wapenstilstand. Ik betrad het strijdtoneel-om-aandacht in goed gezelschap: iedere dag kwamen er vrienden mee, samen met mijn vriendin – the Queen of Hearts, dus ik stond sterk in mijn schoenen. Drie dagen lang ging ik, met mijn trouwe  bordeaux Parker Jotter in de aanslag, voluit in duel en dialoog met lezers en leden van de Eerste Ploeg – of hoe noem je die schrijvers waar je naar opkijkt?

Ik denk dat nostalgie solo slim speelt, mocht de Boekenbeurs een kaartspel zijn.

Mijn ervaringen als bezoeker zijn het eenvoudigst neer te pennen. Zoals je ziet op de foto was de buit enorm. Zodra de website van de beurs online ging speurde ik de lijsten schrijvers af: “Die wil ik zien, die ook, en haar wil ik wel even passeren, vanop afstand, om te zien of ze sympathiek is.” Voor iedere dag had ik een lijstje op zak met namen, uren en stands bij.

Chronologisch dan maar? Oké. Chapter 1. I am born. En dan kwam het jeugdsentiment, op een bus naar Normandië waar een klasgenote me toevertrouwde dat enkel vijftigers met een midlifecrisis naar Mahler en Wagner luisterden – Rossini was volgens haar het enige echte medicijn. De eerste auteur die ik op de Boekenbeurs bezocht was dus Marc De Bel. Meester Pluim & het praatpoeder is inmiddels misschien vergeten, maar voor mij blijft het een van de mooiste jeugdverhalen – vreemd genoeg heeft dat ergens ook met muziek te maken. En als ik spreek over rock ‘n’ roll en griezelen in deze context komen we langzaam maar zeker in de buurt van Paul van Loon – ik was een beetje ongemakkelijk toen hij ineens voor me stond. Ja, ook ik nam De Griezelbus van en naar de bibliotheek, en van de beurs kwam ik terug met een gesigneerd exemplaar.

Haltes die ik miste waren Egmont Ruelens – dat kwam door de Dokter aan het stuur – en Kevin Valgaerens Blackwell zeilde niet uit – in Antwerpen voer die dag enkel de Flandria en verbleef ik dus even in Lockdown. Ik kijk ernaar uit om ze allemaal te lezen! En wat Rivieren betreft, uiteraard meerde ik even aan bij Martin Michael Driessen, die voor de gelegenheid afzakte uit het noorden. Iets zuidelijker in het Antwerpse, in Lier (of was het in Woesten?) zijn ze minstens even sympathiek en spreken ze me zelfs aan met termen als ‘naamgenoot en collega’. Maar net als Vanessa Williams I saved the best for last: Herman Brusselmans.

Al is het in literaire kringen not done om openlijk toe te geven dat je graag Brusselmans leest… toch is het zo, in mijn geval. Na mijn hele jeugd op die ene bus te hebben besteed, nam ik plots de trein naar Brussel met een meisje wiens haar op Bach leek en een Anderlechtsupporter met bijhorend sjaaltje. Ik las in mijn coupé op de dagen dat ze de trein misten. Vaak was dat een boek van Brusselmans, meer dan eens was het Zul je mij altijd graag zien? En nog vaker heb ik luidop gelachen op de trein tijdens een van zijn passages, zodat iedereen me bekeek alsof ik het slechte crème-glaçekarreke was. Maakt niet uit, het waren fijne leesmomenten. En lezers luidop doen lachen is volgens mij een zwaar onderschat literair wapen. Ik hanteer het graag, al dan niet succesvol.

© Peter De Smedt

Hij was er op de laatste dag van de Boekenbeurs, met een filmploeg en interviewer naast hem. Ik heb hem gevraagd of hij zijn roman wou signeren en de mijne gesigneerd afgegeven. Daar ging het om. Dat was belangrijk. Daarna kon ik naar huis gaan en een pintje drinken.

Lezers luidop doen lachen is volgens mij een zwaar onderschat literair wapen.

Wat mijn signeersessies betreft zijn er een aantal leuke foto’s genomen die ik graag toevoeg aan dit verslag. Er was op een bepaald moment zelfs even sprake van Photoception, al zit Leo er voor niks tussen.

Amper vijf maanden geleden verscheen mijn debuutroman in de boekenrekken. Nu komen de signeersessies eraan. In die korte tussentijd heb ik België doorkruist, leuke mensen ontmoet in toffe boekhandels, en nieuwe plekken leren kennen waar ik me nu steeds vaker welkom voel. Deze herfst doe ik nog een ‘Tour de Flandres’, van Tervuren naar Genk om dan te finishen op de Boekenbeurs. Komen jullie dan supporteren?

De Hebban Literatuur Club las Jonge goden. Wat Hebban-recensenten Helena en Nathalie erover te zeggen hadden ontdek je in hun artikel, net als de vragen die ze op me afvuurden in een kort interview. Wat ik vooral leuk vond was hoe ze beiden, ieder vanuit hun eigen standpunt, het boek bespraken vanuit verschillende invalshoeken en daar een geheel van maakten. En ook de reacties waren fijn om te lezen. Benieuwd? Lees het allemaal hier.

‘Nazomer’ was het woord dat vandaag op de radio bleef nazinderen. Tot ik enkele minuten na het weerbericht besefte dat het reeds september was, en de zomer was voorbijgevlogen. Als een plastic zakje dat op de wind een dansje doet. Dit was mijn zomer. Ik zou lichtjes overdrijven door te zeggen dat het turbulent was, dus hou ik het maar op ‘buitengewoon bijzonder’.

De ijdele façade

Harry Mulisch werd zijn leven lang beticht van arrogantie. Nu deed de auteur ogenschijnlijk weinig moeite om het imago dat aan hem kleefde bij te sturen, getuige een kenmerkende uitspraak als ‘Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan’. Volgens Mulisch was dit echter ‘zelfironie’. In De ijdele façade onderzoekt Marc van Zoggel het mechaniek van de zelfvergroting en de dynamiek van de ironie in het oeuvre van Mulisch. Hij gaat op zoek naar de literaire traditie waarin Mulisch’ schrijversfiguur te situeren valt en beschrijft de ontwikkeling van de ironieopvatting van de auteur. Dit leidt tot nieuwe interpretaties van de novellen De pupil (1987) en Het beeld en de klok (1989) en de romans De ontdekking van de hemel (1992) en Siegfried (2001), vier werken waarin Mulisch hoog spel speelde door de zelfvergroting en zelfironie tot inzet van zijn scheppende werk te maken.

https://verloren.nl/boeken/2086/275/28346/imprint-literatoren/de-ijdele-facade.

Interview over Jonge goden in een meinummer van Klakson uit de toekomst. Op mijn 37e debuteer ik nog een keer, zo blijkt.

Releasedatum Jonge goden: 8 mei 2018

Het is zover. De Jonge goden komen eraan!

België zal die dag misschien niet daveren op zijn grondvesten, maar ik zal wel staan trillen in mijn schoenen.

En als er dan toch een storm uitbreekt, hoop ik dat mijn debuutroman in het oog komt te staan.

8 mei 2018.